Start Gastenboek Introductie Contents Help DownloadsZinsbouw
Woordbouw Zinsbouw Algemene syntaxis

 

Woordbouw Zinsbouw Algemene syntaxis

Inhoud van deze pagina:

bullet

De woordvolgorde

bullet

Het naamwoordelijk deel van het gezegde

bullet

Het gebruik van àn, ìz and òd

bullet

Bijzinnen

De woordvolgorde

zelfstandige naamwoorden

De positie van zelfstandige naamwoorden wordt alleen bepaald door de graad van hun naamval: eerstegraads zelfstandige naamwoorden komen vóór het werkwoord, tweedegraads zelfstandige naamwoorden erachter. Er is geen vaste volgorde voor het onderwerp, lijdend en meewerkend voorwerp, of bepalingen.

werkwoorden

De positie van het werkwoord volgt uit het bovenstaande. Wanneer ieder andere vorm dan de bedrijvende vorm wordt gebruikt dan neemt het lidwoord van vorm de plaats van het werkwoord in om de graad van zelfstandige naamwoorden te bepalen. Het werkwoord zelf wordt dan onveranderd als laatste woord in de zin gebruikt.

bijvoeglijke naamwoorden

Bijvoeglijke naamwoorden komen na het zelfstandig naamwoord dat ze beschrijven. Alleen in vaste uitdrukkingen gaat het bijvoeglijk naamwoord aan het zelfstandig naamwoord vooraf.

Voorzetsels

The voorzetsels komen altijd ná het woord dat ze bepalen.

Top

Het naamwoordelijk deel van het gezegde

Het naamwoordelijk deel van het gezegde kan op driemanieren worden uitgedrukt: 

  1. Aangezien alle bijvoeglijke naamwoorden beschouwd worden deelwoorden van het werkwoord te zijn, dat de betekenis heeft " (betekenis van bijvoeglijk naamwoord) zijn", is het eenvoudig om zinnen te maken waarin het naamwoordelijk deel van het gezegde een bijvoeglijk naamwoord is:

    mènaz òtrav mènaz òtrav de mooie vrouw
    Mènaz òtodav. Mènaz òtodav. De vrouw is mooi.
    mènin biru mènin biru de grote man
    Mènin bidu. Mènin bidu. De man is groot.

  2. Wanneer het naamwoordelijk deel een zelfstandig naamwoord is kan een werkwoord worden gebouwd dat de betekenis een (zefstandig naamwoord) zijn. Dit  werkwoord wordt gemaakt door de geslachtsuitgang aan het  zelfstandig naamwoord toe te voegen en vervolgens de werkwoorduitgang te plaatsen. 
    lèîzobuto leizobuto bakken
    lèîzobutin leizobutin bakker
    lèîzobutuo leizobutuo een bakker zijn
    Mènin lèîzobutuodu. Mènin leizobutuodu. De man is een bakker.

  3. Een andere manier om de zin te bouwen als het naamwoordelijk deel een zelfstandig naamwoord is, is door het naamwoordelijk deel in te bedden in àn, ìz, of òd (zie de volgende paragraaf voor verdere uitleg). Het eerste lid wordt verbogen als een werkwoord, het tweede is het onveranderlijke woord àmei, ìsei, of òtei Als er geen andere delen van de zin volgen dan wordt het tweede lid vaak weggelaten.
    Mènin ànodu ulèîzobutin >àmèî. Mènin ànodu ulèîzobutin (àmei). De man is een bakker.
    Folaz mènaz ìzida badaz]g >ìsèî. Folaz mènaz ìzida badaz-g (ìsei). Deze vrouw is mijn moeder.
    Benin òdodu origin mènas òtraz >òtèî. Benin òdodu origin mènas òtraz (òtei). De jongen is de zoon van de lelijke vrouw.
Top

Het gebruik van àn, ìz en òd

Àn, ìz en òd omsluiten ieder ander woord of uitdrukking dat tot een zelfstandig naamwoord gemaakt moet worden. Ze krijgen naamvalsuitgangen, maar staan altijd in het onzijdige geslacht. De uitdrukking tussen de beide leden van àn, ìz, of òd wordt meestal niet verbogen. In het bijzonder leidt dit tot de volgende toepassingen van deze constructie:

  1.  Om bijstellingen uit te drukken. In dit geval komt de uitdrukking tussen de leden van àn, ìz, or òd in naamval en getal overeen met het zelfstandig naamwoord waar het bjhoort.
    Imènin àn badin]g àn lèîzobutuodu.  Imènin àn badin-g àn lèîzobutuodu.  Deze man, mijn vader, is een bakker.
    Ufarun ìs Dirun ìs duèrderogu. Ufarun ìs Dilim ìs duèrderogu. Ik vereer de Eerste, de Maker.
    Arogu zoèn òèd Rinabè òèd ju]o. Arogu zoèn òèd Rinabè òèd ju-o. Ik ben in de stad Rina.
     
  2. Om het naamwoordelijk deel van het gezegde aan te geven. Dit zinsdeel wordt ingesloten in àno .... àmei, ìzo ... ìsei, of òdo ... òtei, Het eerste lid gedraagt zich als een werkwoord, het tweede is een onveranderlijk woord dat weggelaten kan worden aan het eind van de zin. Voorbeelden staan hierboven.
     
  3. Om bijzinnen te bouwen. De beoogde bijzin wordt omgeven door tweemaal àn, ìz, of òd, welke vervolgens worden verbogen. Voorbeelden staan hieronder. 
     
  4. Om het mogelijk te maken woorden te verbuigen die op zichzelf niet als een zelfstandig naamwoord verbuigbaar zijn. Bijvoorbeeld versteende uitdrukkingen, of buitenlandse woorden die niet aangepast zijn aan de Aninese taal. Bestaat het ingesloten deel slechts uit één woord, dan wordt het tweede lid vaak weggelaten.
    àn Animodid >àn. Àn Animodid (àn) De komst in Anina (proto-Aninese uitdrukking)
    ìz Pàut >ìz. ìz Paut (ìz) Paut, naam van de hel volgens het Aulingese geloof.

Bijzinnen

Bijzinnen kunnen op drie manieren worden gebouwd:

  1. Door de bijzin in te sluiten met àn, ìz, of òd. Deze worden voor en achter de bijzin geplaatst in de naamval die overeenkomt met de functie van de bijzin in de hoofdzin.
    Àn avin dom ju]o idodu àn, maras dazaduadodo mènim gi. Àn avin dom ju-o idodu àn, maras dazaduadodo mènim gi. Dat hij onderweg naar huis is, maakt de mans vrouw gelukkig. 
    (onderwerpszin)
    Àm avin dom ju]o ididu àm, maraz docoidab mènim g.  Àm avin dom ju-o ididu àm, maraz docoidab mènim g.  De mans vrouw wist dat hij onderweg naar huis was.
    (lijdendvoorwerpszin)
    Àèn èn avin domob ju]o maididu àèn, maraz zaduidav mènim g. Àèn èn avin domob ju-o maididu àèn, maraz zaduidav mènim g. Omdat hij hij niet thuisgekomen was,was de mans vrouw boos.
    (bijwoordelijke bijzin)

    Ontleding van de voorbeelden:

    Àn

     avin

     dom ju-o

     idodu

     àn

     maras

     dazaduadodo

    mènim

     gi

    "Dat" (onderwerp) hij (vooruitwijzend naar mènim) naar het huis hij is onderweg ("dat") de vrouw (lijdend voorwerp) het maakt haar blij van de man verwijst naar maras

    Àm  avin  dom ju-o  ididu  àm  maraz  docoidab  mènim   g. 
    "Dat" (lijdend voorwerp) hij naar het huis hij was onderweg ("dat") de vrouw (onderwerp) zij wist het niet van de man verwijst naar maraz

    Àèn èn   avin   domob ju-o   maididu  àèn   maraz   zaduidav   mènim   g.
    "Omdat" hij niet naar het huís hij was gekomen ("dat") de vrouw (onderwerp) zij was boos van de man verwijst naar maraz

  2. Door het bijwoord van het werkwoord in de bijzin te gebruiken met een voegwoord. Deze manier is uitsluitend mogelijk met bijwoordelijke bijzinnen.
    Ènè avin domob ju]o maidirèî, maraz zaduidav mènim g. Ènè avin domob ju-o maidirei, maraz zaduidav mènim g. Omdat hij niet thuis gekomen was, was de mans vrouw boos.
    Nuvè avin dom ju]o maidorèî, maraz razaduoda mènim g. Nuvè avin dom ju-o maidorei, maraz razaduoda mènim g. Nadat hij  thuis gekomen is, is de mans vrouw blij.

  3. Door het deelwoord van het werkwoord in de bijzin te gebruiken. De naamval hiervan komt overeen in geslacht, getal en naamval met het zelfstandig naamwoord in de hoofdzin waar het naar verwijst. De vorm van de bijzin wordt zo gekozen, dat het zelfstandig naamwoord uit de hoofdzin waar het bij hoort onderwerp is van de bijzin. Deze manier is uitsluitend mogelijk met bijvoeglijke en bijwoordelijke bijzinnen.
    Ènè domob ju]o maidirun, maraz zaduidav mènim g. Ènè domob ju-o maidirun, maraz zaduidav mènim g. Omdat hij niet  thuis gekomen was, was de mans vrouw boos.
    Nuvè dom ju]o maidora, maraz razaduoda mènim g. Nuvè dom ju-o maidora, maraz razaduoda mènim g. Nadat zij thuis gekomen is, is de mans vrouw blij.
    Maraz zadoda <ro gè mènièn dom ju]o idora. Maraz zadoda, ro gè mènièn dom ju-o idora. De vrouw is blij, wier  man onderweg is naar huis. (ra komt overeen met maraz, ro gè wordt gebruikt om "wier" om te zetten in het onderwerp (wat in het Nederlands onmogelijk is).

  Top