|

Inhoud van deze pagina:

De woordvolgorde
zelfstandige naamwoorden
De positie van zelfstandige naamwoorden wordt alleen bepaald
door de graad van hun naamval: eerstegraads zelfstandige naamwoorden komen
vóór het werkwoord, tweedegraads zelfstandige naamwoorden erachter. Er is geen
vaste volgorde voor het onderwerp, lijdend en meewerkend voorwerp, of
bepalingen.
werkwoorden
De positie van het werkwoord volgt uit het bovenstaande. Wanneer
ieder andere vorm dan de bedrijvende vorm wordt gebruikt dan neemt het lidwoord
van vorm de plaats van het werkwoord in om de graad van zelfstandige naamwoorden
te bepalen. Het werkwoord zelf wordt dan onveranderd als laatste woord in de zin
gebruikt.
bijvoeglijke naamwoorden
Bijvoeglijke naamwoorden komen na het zelfstandig naamwoord dat
ze beschrijven. Alleen in vaste uitdrukkingen gaat het bijvoeglijk naamwoord aan
het zelfstandig naamwoord vooraf.
Voorzetsels
The voorzetsels komen altijd ná het woord dat ze bepalen.
Top
Het naamwoordelijk deel van het gezegde
Het naamwoordelijk deel van het gezegde
kan op driemanieren worden uitgedrukt:
-
Aangezien alle bijvoeglijke naamwoorden beschouwd worden
deelwoorden van het werkwoord te zijn, dat de betekenis heeft "
(betekenis van bijvoeglijk naamwoord) zijn", is het eenvoudig om zinnen
te maken waarin het naamwoordelijk deel van het gezegde een bijvoeglijk naamwoord
is:
| mènaz òtrav |
mènaz òtrav |
de mooie vrouw |
| Mènaz òtodav. |
Mènaz òtodav. |
De vrouw is mooi. |
| mènin biru |
mènin biru |
de grote man |
| Mènin bidu. |
Mènin bidu. |
De man is groot. |
Wanneer het naamwoordelijk deel een zelfstandig naamwoord is kan een werkwoord
worden gebouwd dat de betekenis een (zefstandig naamwoord) zijn. Dit werkwoord
wordt gemaakt door de geslachtsuitgang aan het zelfstandig naamwoord toe
te voegen en vervolgens de werkwoorduitgang te plaatsen.
| lèîzobuto |
leizobuto |
bakken |
| lèîzobutin |
leizobutin |
bakker |
| lèîzobutuo |
leizobutuo |
een bakker zijn |
| Mènin lèîzobutuodu. |
Mènin leizobutuodu. |
De man is een bakker. |
Een andere manier om de zin te bouwen als het
naamwoordelijk deel een zelfstandig naamwoord is, is door het naamwoordelijk
deel in te bedden in àn, ìz, of òd (zie de volgende paragraaf voor verdere
uitleg). Het eerste lid wordt verbogen als een werkwoord, het tweede is het
onveranderlijke woord àmei, ìsei, of òtei Als er geen andere delen van de
zin volgen dan wordt het tweede lid vaak weggelaten.
| Mènin ànodu ulèîzobutin >àmèî. |
Mènin ànodu ulèîzobutin (àmei). |
De man is een bakker. |
| Folaz mènaz ìzida badaz]g >ìsèî. |
Folaz mènaz ìzida badaz-g (ìsei). |
Deze vrouw is mijn moeder. |
| Benin òdodu origin mènas òtraz
>òtèî. |
Benin òdodu origin mènas òtraz (òtei). |
De jongen is de zoon van de lelijke vrouw. |
Top
Het gebruik van àn, ìz en òd
Àn, ìz en òd omsluiten ieder ander woord of uitdrukking dat tot een
zelfstandig naamwoord gemaakt moet worden. Ze krijgen naamvalsuitgangen, maar
staan altijd in het onzijdige geslacht. De uitdrukking tussen de beide leden van
àn, ìz, of òd wordt meestal niet verbogen. In het bijzonder leidt dit tot de
volgende toepassingen van deze constructie:
- Om bijstellingen uit te drukken. In dit geval komt de uitdrukking
tussen de leden van àn, ìz, or òd in naamval en getal overeen met het zelfstandig naamwoord
waar het bjhoort.
| Imènin àn badin]g àn
lèîzobutuodu. |
Imènin àn badin-g àn lèîzobutuodu. |
Deze man, mijn vader, is een bakker. |
| Ufarun ìs Dirun ìs
duèrderogu. |
Ufarun ìs Dilim ìs duèrderogu. |
Ik vereer de Eerste, de Maker. |
| Arogu zoèn òèd Rinabè òèd
ju]o. |
Arogu zoèn òèd Rinabè òèd ju-o. |
Ik ben in de stad Rina. |
Om het naamwoordelijk deel van het gezegde aan te geven. Dit zinsdeel wordt
ingesloten in àno ....
àmei, ìzo ... ìsei, of òdo ... òtei, Het eerste lid gedraagt zich als een
werkwoord, het tweede is een onveranderlijk woord dat weggelaten kan worden
aan het eind van de zin. Voorbeelden staan hierboven.
Om bijzinnen te bouwen. De beoogde bijzin wordt omgeven door tweemaal àn, ìz,
of òd, welke vervolgens worden verbogen. Voorbeelden staan hieronder.
Om het mogelijk te maken woorden te verbuigen die op zichzelf niet als een
zelfstandig naamwoord verbuigbaar zijn. Bijvoorbeeld versteende uitdrukkingen,
of buitenlandse woorden die niet aangepast zijn aan de Aninese taal. Bestaat
het ingesloten deel slechts uit één woord, dan wordt het tweede lid vaak
weggelaten.
| àn Animodid >àn. |
Àn Animodid (àn) |
De komst in Anina (proto-Aninese uitdrukking) |
| ìz Pàut >ìz. |
ìz Paut (ìz) |
Paut, naam van de hel volgens het Aulingese geloof. |
Bijzinnen
Bijzinnen kunnen op drie manieren worden gebouwd:
- Door de bijzin in te sluiten met àn, ìz, of òd. Deze worden voor en
achter de bijzin geplaatst in de naamval die overeenkomt met de functie van
de bijzin in de hoofdzin.
| Àn avin dom ju]o idodu àn,
maras dazaduadodo mènim gi. |
Àn avin dom ju-o idodu àn, maras dazaduadodo mènim gi. |
Dat hij onderweg naar huis is, maakt de mans vrouw
gelukkig.
(onderwerpszin) |
| Àm avin dom ju]o ididu àm,
maraz docoidab mènim g. |
Àm avin dom ju-o ididu àm, maraz docoidab mènim
g. |
De mans vrouw wist dat hij onderweg naar huis was.
(lijdendvoorwerpszin) |
| Àèn èn avin domob ju]o
maididu àèn, maraz zaduidav mènim g. |
Àèn èn avin domob ju-o maididu àèn, maraz zaduidav
mènim g. |
Omdat hij hij niet thuisgekomen was,was de mans vrouw
boos.
(bijwoordelijke bijzin) |
Ontleding van de voorbeelden:
Àn |
avin |
dom ju-o |
idodu |
àn |
maras |
dazaduadodo |
mènim |
gi |
| "Dat" (onderwerp) |
hij (vooruitwijzend naar mènim) |
naar het huis |
hij is onderweg |
("dat") |
de vrouw (lijdend voorwerp) |
het maakt haar blij |
van de man |
verwijst naar maras |
| Àm |
avin |
dom ju-o |
ididu |
àm |
maraz |
docoidab |
mènim |
g. |
| "Dat" (lijdend voorwerp) |
hij |
naar het huis |
hij was onderweg |
("dat") |
de vrouw (onderwerp) |
zij wist het niet |
van de man |
verwijst naar maraz |
| Àèn èn |
avin |
domob ju-o |
maididu |
àèn |
maraz |
zaduidav |
mènim |
g. |
| "Omdat" |
hij |
niet naar het huís |
hij was gekomen |
("dat") |
de vrouw (onderwerp) |
zij was boos |
van de man |
verwijst naar maraz |
Door het bijwoord van het werkwoord in de bijzin te gebruiken met een
voegwoord. Deze manier is uitsluitend mogelijk met bijwoordelijke bijzinnen.
| Ènè avin domob ju]o maidirèî, maraz zaduidav mènim g. |
Ènè avin domob ju-o maidirei, maraz zaduidav
mènim g. |
Omdat hij niet thuis gekomen was, was de mans vrouw boos. |
| Nuvè avin dom ju]o maidorèî,
maraz razaduoda mènim g. |
Nuvè avin dom ju-o maidorei, maraz razaduoda mènim
g. |
Nadat hij thuis gekomen is, is de mans vrouw blij. |
Door het deelwoord van het werkwoord in de bijzin te gebruiken. De
naamval hiervan komt overeen in geslacht, getal en naamval met het
zelfstandig naamwoord in de hoofdzin waar het naar verwijst. De vorm van
de bijzin wordt zo gekozen, dat het zelfstandig naamwoord uit de hoofdzin
waar het bij hoort onderwerp is van de bijzin. Deze manier is uitsluitend
mogelijk met bijvoeglijke en bijwoordelijke bijzinnen.
| Ènè domob ju]o maidirun, maraz zaduidav
mènim g. |
Ènè domob ju-o maidirun, maraz zaduidav
mènim g. |
Omdat hij niet thuis gekomen was, was de
mans vrouw boos. |
| Nuvè dom ju]o maidora,
maraz razaduoda mènim g. |
Nuvè dom ju-o maidora, maraz razaduoda mènim
g. |
Nadat zij thuis gekomen is, is de mans vrouw
blij. |
| Maraz zadoda <ro gè
mènièn dom ju]o idora. |
Maraz zadoda, ro gè mènièn dom ju-o idora. |
De vrouw is blij, wier man onderweg is naar
huis.
(ra komt overeen met maraz, ro gè wordt
gebruikt om "wier" om te zetten in het onderwerp (wat in het
Nederlands onmogelijk is). |
Top
|